Gersom werkt nu bijna zes jaar als raadsonderzoeker. Vooral de combinatie tussen menselijk contact en inhoudelijke uitdaging spreekt hem aan: ‘Je praat met kwetsbare kinderen en tegelijkertijd doe je diepgaand onderzoek. Je bent zowel emotioneel als rationeel betrokken bij de casus. Die combinatie is mooi, maar vraagt ook om een balans.’

‘Je moet balanceren tussen meevoelen en ingrijpen’

“Toen ik net begon, was ik nog erg op zoek naar die balans. Ik onderzocht een zaak waarin we uiteindelijk adviseerden het kind van een zwangere vrouw uit huis te plaatsen, zodra het geboren was. ’s Avonds in bed kreeg ik een raar onderbuikgevoel. Rationeel gezien begreep ik ons advies, maar emotioneel zat het me niet lekker. De volgende dag legde ik de gedragsdeskundige en juridisch deskundigen mijn twijfel uit en overwogen we ons advies nogmaals. Daardoor verdween bij mij de twijfel, omdat ik nu met hoofd en hart achter onze beslissing stond. Sindsdien dubbelcheck ik altijd elke zaak: snap ik wat we doen en kan ik het uitleggen? Dat is noodzakelijk, anders kun je het niet rechtvaardigen tegenover de ouders en het kind.”

Mijn ouders leerden mij de waarde van andere mensen helpen.

Behoefte

“Ik weet nog goed waarom ik raadsonderzoeker wilde worden. Van huis uit werd ik gemotiveerd om andere mensen te  helpen. Mijn ouders zijn hebben beiden een zorgverlenend beroep en leerden mij de waarde van andere mensen op weg helpen. Daarom ging ik maatschappelijk werk en dienstverlening studeren. In het tweede jaar daarvan gaf een raadsonderzoeker het vak ‘onderzoeksmethoden’. Het werd gegeven op een onmogelijk tijdstip, maar als een van de weinigen vond ik het geweldig. Het was verdiepend en legde uit hoe je onderzoek moest doen in de sociale- en juridische context van kindsituaties. Menselijk contact en diepgang kwamen erin samen: precies waar ik behoefte aan had.”

Het belangrijkste gesprek is dat met de ouders en het kind.

Groeien

Wanneer je start met je raadsonderzoek, dan voer je eerst gesprekken met verschillende mensen en instanties. De belangrijkste daarvan is het gesprek met het kind en de ouders. Dat is niet altijd makkelijk. Enerzijds moet je je inleven in de situatie van het kind, anderzijds moet je in staat zijn om op een goede manier over zware onderwerpen te praten, zoals misbruik of mishandeling. Bovendien moet je voldoende afstand bewaren om tot een onafhankelijk advies te komen. Vervolgens voer je een multidisciplinair overleg met juridisch deskundigen en gedragsdeskundigen, waarna je je uiteindelijke rapport schrijft. Dat is bureauwerk: voor de een minder leuk, voor mij juist een uitdaging. Wat is de kern van je onderzoek? Welke woorden gebruik ik zodat alle betrokkenen begrijpen wat er staat? Hier zit de inhoudelijke uitdaging van het werk, waarin je kunt blijven groeien en leren.”

Waarde

“Dit werk geeft voldoening, maar vraagt er ook een bepaalde mentaliteit voor terug. Als raadsonderzoeker kom je in de persoonlijke levenssfeer van mensen en daardoor wordt altijd iemand geraakt, gekwetst of verdrietig. Toen ik net startte, had ik nog de naïeve hoop dat ouders mijn overwegingen zouden begrijpen. De realiteit is dat de meeste gezinnen zoveel zorgen hebben, dat ze helemaal geen behoefte hebben om te evalueren met de Raad voor de Kinderbescherming. Terwijl ik dat wel graag met ze zou willen doen. De meeste ouders handelen uit onmacht om het meest waardevolle in hun leven proberen te beschermen: hun kinderen. Kijk je daar doorheen, dan ontstaat er ruimte om samen met hen een betere toekomst op te bouwen voor het kind. Daar haal ik mijn voldoening uit.”